Science

Plato in de Lage Landen

Description
Plato in de Lage Landen
Categories
Published
of 7
All materials on our website are shared by users. If you have any questions about copyright issues, please report us to resolve them. We are always happy to assist you.
Related Documents
Share
Transcript
  Plato in de Lage Landen door Maria KardaunIn het derde boek van de  Aeneis  wordt de toewijding beschreven waarmee de Sibyllevan Cumae bij de ingang van de onderwereld haar toverspreuken rangschikt. Keurig ophun plaats liggen ze daar in een rotskloof op hun ontcijfering te wachten. Wanneer echter de deur naar het verborgen verblijf wordt geopend met onvoorzichtige hand, bestaat het gevaar dat een plotselinge windvlaag de papieren doet verwaaien en despreuken onbegrijpelijk maakt.Ook voor het werk van Plato geldt dat het niet eenvoudig is de deur te openen zonder dat er waardevolle informatie wordt weggeblazen. Heel wat vertalers hebben hun bestgedaan de Platonische dialogen toegankelijk te maken door middel van een eigentijdsevertaling die zowel de filosofische als de literaire aspecten van het srcineel tot hunrecht laat komen. Op dit moment is er een Plato-vertaling in de maak van de hand vanHans Warren en Mario Molegraaf. 1  De eerste vier deeltjes zijn inmiddels verschenen,deel vijf en zes verschijnen deze maand. De bedoeling is om in de loop van enige jarenPlato’s gehele oeuvre uit te brengen, met een snelheid van twee deeltjes per jaar. Hetlaatste deel wordt verwacht in 2002. Het is niet onredelijk zich af te vragen wat van dezevertaling de meerwaarde is.De boekwerkjes zien er aantrekkelijk uit en Warren en Molegraaf sluiten zich aan bij hetinternationale gebruik om tekstedities en vertalingen van de Platonische dialogen tevoorzien van zogenoemde Stephanus-bladzijden. Deze indeling gaat terug op de Parijseeditie uit 1578 van de humanist Henricus Stephanus (Henri Estienne). Wie wel eensheeft geprobeerd iets na te zoeken in uitgaven en vertalingen die deze indeling ontberen, begrijpt waarom dit heuglijke punt apart wordt vermeld.Belangrijker is dat de verstaanbaarheid waarnaar Warren en Molegraaf uitdrukkelijk hebben gestreefd, geresulteerd heeft in een prettig leesbare tekst. Hun Nederlands iswerkelijk soepel, – zij het een enkele keer iets tè soepel: “Jan met de pet” als vertalingvoor hoi polloi  (bijv.  Phaedo  64 b) is bepaald te populair, al is het natuurlijk waar datPlato voor hoi polloi  (‘de grote massa’, d.w.z. U en ik) weinig waardering aan de daglegde. Maar meestal is de woordkeus elegant en de zinnen lopen zonder uitzonderinggoed. Naast deze onmiskenbare pluspunten zijn er echter ook bezwaren.Om te beginnen is daar de beschuldiging van de Leuvense hoogleraar Carlos Steel, diemet medewerking van Pieter Beullens en Jan Opsomer Warren en Molegraaf onlangs plagiaat ten laste heeft gelegd. 2  Het voert te ver om de argumentatie van genoemde 1  Plato. Verzameld werk  , vertaling door Hans Warren en Mario Molegraaf, Amsterdam: Bert Bakker.2 C. Steel, P. Beullens en J. Opsomer, ‘Een nieuwe Plato-vertaling?’, in: Tijdschrift voor Filosofie  58.2,  juni 1996, pp. 342-359.  recensenten hier te herhalen, maar zij maken m.i. inderdaad aannemelijk dat Warren enMolegraaf zich tijdens hun werkzaamheden in veel gevallen meer hebben laten leidendoor reeds bestaande Plato-vertalingen – in het bijzonder door die van Xaveer de Win 3  –, dan door het Griekse srcineel.Wanneer je er eenmaal op let, valt op dat je de zeldzame, meestal kleine fouten van DeWin vaak terugvindt in de vertaling van Warren en Molegraaf. Zo vertalen Warren enMolegraaf evenals De Win de Griekse woorden to dikaion  in  Euthyphro  12e met ‘derechtvaardig heid  ’ in plaats van met ‘het rechtvaardige’. Dit is misschien niet wereld-schokkend, maar niettemin staat er in het Grieks ‘het rechtvaardige’, en waarom zou jeals vertaler daarvan afwijken? En vooral, waarom zou je daarvan afwijken juist op dieene plaats waar ook De Win een afwijkende lezing heeft? Overigens heeft dezewoordkeus ook nog enig gewicht in verband met de ontwikkeling van de PlatonischeIdeeënleer. In de vroege dialoog de  Euthyphro  is namelijk nog geen sprake vantranscendente Ideeën, maar door de vertaling ‘de rechtvaardigheid’ kan de argeloze lezer ten onrechte de indruk krijgen van wel. Hoe dan ook, Warren en Molegraaf hebbenvermoedelijk een ruim gebruik gemaakt van het werk van hun voorgangers.De vraag is natuurlijk of dat erg is. Op zichzelf lijkt de beschuldiging van plagiaat bijeen vertaling niet zwaarwegend, zeker niet wanneer de vertalers hun schatplichtigheidglobaal vermelden, zoals Warren en Molegraaf in het nawoord van het eerste deel doen(p. 125). Alle Plato-vertalers beschikken immers over (vrijwel) dezelfde grondtekst, enhet aantal variatiemogelijkheden is nu eenmaal beperkt. Sterker nog, bij het uitbrengenvan een nieuwe vertaling is het ronduit wenselijk dat er op het werk van voorgangersgeleund wordt, want niemand is gediend met een vertaling die weliswaar srcineel is,maar onnodig veel fouten bevat.Toch is de gesignaleerde, vèrgaande afhankelijkheid van belang: een vertaling die alshet er op aankomt niet direct op het srcineel teruggaat, maar een soort grootste gemenedeler vormt van eerdere vertalingen, is geen betrouwbare gids. Om inzicht te krijgen inde vele opmerkelijke passages die de Platonische dialogen rijk zijn – en dan hoeft menniet eens die passages te bedoelen waarover de internationale geleerden niet totovereenstemming kunnen komen, maar gewoon de scharnierpunten van het filosofische betoog –, heeft het geen zin om Warren en Molegraaf te raadplegen, want zij hebbenover de preciese betekenis van zo’n passage geen mening, althans geen gefundeerde. Zijhebben het in hoofdzaak gelaten bij een – overigens plezierige – uiterlijke moderni-sering van het Nederlands, over de filosofische kant van de dialogen vertalen zij maar zo’n beetje heen.Deze wijze van vertalen getuigt van een gebrek aan zelfstandig begrip van de tekst. Daar waar Warren en Molegraaf zich soms wèl een zelfstandige opvatting veroorloven enmenen te moeten ingrijpen ten behoeve van de verstaanbaarheid voor een groter publiek, 3  Plato. Verzameld werk  , 3 dln, vertaald door Xaveer de Win, Antwerpen/Haarlem: Tjeenk Willink, 1962-1965. Ondanks sommige Noord-Nederlandse reserves tegenover De Wins (licht) flandriserend taalgebruik geldt deze integrale Plato-vertaling als een standaardwerk. Alle latere Nederlandse vertalingen zijn ofwel onvolledig ofwel van slechte kwaliteit, of allebei tegelijk.  wordt het trouwens nog erger. Steel en zijn medewerkers wijzen er op dat Warren enMolegraaf in de Theaetetus  (Warren en Molegraaf’s deel II) de Griekse term doxa  inafwijking van de gangbare vertaling ‘opinie, mening’ consequent en ten onrechte met‘inzicht’ vertalen. Afwijken van wat gebruikelijk is, is sympathiek, maar je moet welzeker zijn van je zaak. Gezien de cruciale rol van het begrippenpaar doxa  en epistêmê (‘mening’ en ‘ware kennis’) in de Platonische filosofie, zorgt deze onnodige innovatieechter voor niet minder dan een Babylonische spraakverwarring: ‘mening’ isongefundeerd en daarom volgens Plato onbetrouwbaar, ook wanneer een meningtoevallig correct is; ware kennis daarentegen verschaft zekerheid, omdat je niet alleenweet dat   iets het geval is, maar ook inzicht hebt in het waarom . Heel het Platonischestreven is erop gericht ‘mening’ te ontmaskeren als schijnweten en in plaats daarvan tekomen tot ware kennis of inzicht. ‘Mening’ of ‘inzicht’ maakt dus nogal verschil.Kortom, Warren en Molegraaf doen de filosofische inhoud van de Platonische dialogente kort. Hun vertaling, om het Platonisch uit te drukken, appelleert eerder aan de zinnendan aan het intellect, of, met een andere Platonische metafoor, voedt eerder het beest inons dan de rede. Enige voorbeelden uit de  Phaedo  laten de wijsgerige malaise goedzien.Zoals bekend, dient men bij Plato twee soorten van werkelijkheid uit elkaar te houden:de zintuiglijk waarneembare, concrete werkelijkheid enerzijds en de transcendentewerkelijkheid der Platonische Ideeën of Vormen anderzijds. Deze Ideeën zijnimmateriële entiteiten, onveranderlijke, eeuwige Zijnden, die onafhankelijk van demenselijke geest bestaan. Plato laat dit in de  Phaedo  stapsgewijs en grondig door Socrates uitleggen.Warren en Molegraaf werken echter steeds waar in de tekst al dan niet expliciet naar deIdeeën wordt verwezen met termen als ‘begrippen’, ‘abstracties’, ‘absolute begrippen’ of ‘grondgedachten’, precies het tegenovergestelde dus van entiteiten die onafhankelijk vande menselijke geest bestaan, alsof Plato het heeft over mentale voorstellingen in plaatsvan over eeuwige Zijnden! Het zicht op de inhoud en de voortgang van het filosofische betoog wordt op deze wijze danig vertroebeld.Zo staat in  Phaedo  75 c7-d3 te lezen dat de ziel vóór de geboorte niet alleen het Gelijkeheeft aanschouwd, maar ook het Grotere en het Kleinere en “alles wat van die aard is”,zoals het Schone, het Goede, enz., kortom alles wat een onafhankelijke zijnsstatus bezit.Warren en Molegraaf vertalen de zinsnede “alles wat van die aard is” met “al dergelijkeabstracties”, maar het gaat hier juist om transcendente wezenheden. Ander voorbeeld: in78 d3-4 staat dat het Gelijke zelf, het Schone zelf en “wat ook maar op zichzelf bestaat”éénvormig, onveranderlijk en constant is. Warren en Molegraaf geven “wat ook maar opzichzelf bestaat” weer met “welk absoluut begrip ook”. Platonische Ideeën worden hier opnieuw met begrippen verward. Waarom begrippen volgens Plato éénvormig,onveranderlijk en constant zouden moeten zijn is trouwens raadselachtig: niet ons begrip  van het Schone of het Goede is onveranderlijk – dan hoefden we niets te leren –,maar het Schone en het Goede zelf zijn dat.  Wie er behagen in schept andere voorbeelden na te lezen, kan Warren en Molegraaf nogopslaan bij  Phaedo  74 a9-b6, 76e, 77a, 78 e1-4, en eigenlijk overal waar in de Grieksetekst op een of andere wijze van transcendente Ideeën sprake is, zoals in 106 d 5-6, waar ze “de Idee ‘leven’” vertalen met “de grondgedachte van het leven”. De ingeburgerdetechnische term ‘Idee’ – in het Angelsaksisch taalgebied spreekt men liever van ‘Forms’ – werkt op het eerste gezicht wel eens misleidend en dat zal hun parten gespeeldhebben. Platonische Ideeën hebben echter niets met ‘gedacht worden’ te maken. Tevrezen valt dat dit het soort vernieuwingen is waar Warren en Molegraaf op doeldentoen zij in het nawoord van deel I al aankondigden: “waar dat verhelderend kan werken,schrokken wij er niet voor terug bij het weergeven van bepaalde sleutelbegrippen uitzijn filosofie met de gebruikelijke terminologie te breken”.Laat ik nog een voorbeeld uit de  Phaedo  noemen, overigens van een andere orde: in zijnkerker, op de dag van zijn dood, krijgt Socrates door een van zijn vrienden de vraagvoorgelegd waarom hij op het laatst van zijn leven nog enkele gedichten heeftvervaardigd terwijl hij vroeger voor zoiets nooit te vinden was. Socrates antwoordt dandat hij die gedichten gemaakt heeft vanwege een droom die in zijn voorbije leven steedsweer terugkeerde en waarin hij werd aangespoord de mousikê  te beoefenen. Nu betekende deze droom volgens Socrates weliswaar niet méér dan dat hij door moestgaan met wat hij altijd al deed, namelijk het beoefenen van de filosofie, zijnde dehoogste mousikê , maar toch wilde hij zo vlak voor zijn dood niet uitsluiten dat de droommisschien de gewone betekenis van mousikê , namelijk de kunst, op het oog had. Omzeker te zijn dat hij tegenover het goddelijk bevel van de droom niet in gebreke zou blijven, componeerde hij daarom op de valreep nog een paar gedichten.Warren en Molegraaf vertalen mousikê  hier met ‘dichtkunst’, maar dat de filosofie dehoogste dicht  kunst zou zijn, kan Plato niet bedoelen, en dat staat er ook niet.Mogelijkerwijs zijn de vertalers zelf de opvatting toegedaan dat filosofie eigenlijk eensoort van dichten is, en is hun eigen opvatting hier ingeslopen.  Mousikê  is echter eenverkorte vorm van mousikê technê , ‘muzenkunst’. De muzenkunst bestrijkt het heleterrein der kunsten die met inspiratie te maken hebben en staat tegenover watongeïnspireerd en alledaags is. Het is typisch Socratisch-Platonisch om de filosofie te beschouwen als de muzenkunst bij uitstek (en de dichtkunst tot een lagere variant terekenen: dichtwerken kunnen volgens Plato wel waarheid bevatten, maar je hebt er alsrecipiënt relatief weinig aan, omdat de verantwoording ontbreekt; kunst verschaft integenstelling tot de filosofie hooguit juiste mening, geen werkelijk inzicht). In hetgewone spraakgebruik betekende het woord mousikê  echter ‘kunst’, in het bijzonder ‘dichtkunst’ of ‘muziek’. Vandaar dat Socrates kan zeggen dat hij zich in de laatstedagen van zijn leven aan het dichten heeft gezet voor het geval de repeterende droomhem toch tot het beoefenen van de muzenkunst in de gewone betekenis trachtte aan tesporen. De pointe van deze passage is met andere woorden gelegen in het verschiltussen de Socratisch-Platonische en de meer gangbare invulling van ‘muzenkunst’. Deze pointe gaat bij Warren en Molegraaf verloren. 4 4 Een mooie oplossing voor deze passage heeft Koolschijn:  Plato: Feest   Symposium  , Euthyfron,  Er bestaat overigens nog een verder strekkende verklaring die de droom in breder verband zin geeft. 5  De aansporing in de droom luidde namelijk: mousikên poiei kaiergazou , ‘bedrijf de muzenkunst en werk’. Hoewel dit meestal vertaald wordt als hendiadys , dus ‘bedrijf de muzenkunst en maak daar werk van’, is het ook mogelijk deaansporing van de droom letterlijk, dus als twee verschillende opdrachten te nemen. Dedroom zegt dan: Socrates, bedrijf de muzenkunst en ga aan het werk. Of iets grover gezegd: Socrates, wees nu es spontaan en ga zingen of zoiets ( mousikê  in de gewone betekenis), en ga verder gewoon werken zoals ieder ander ook, in plaats van de hele dagde filosoof uit te hangen.Deze uitleg is uiteraard niet door Plato bedoeld, en ook niet bruikbaar als vertaling.Voorwaarde voor deze lezing is dat de droom historisch is. In dat geval zegt de droomons vanuit een heel andere invalshoek iets over de Socratisch-Platonische filosofie, diezoals bekend allerminst spontaan of gewoontjes, maar extreem onthecht envergeestelijkt was: het is best mogelijk dat Socrates er, zonder het te weten, in zijn slaapheel andere opvattingen op nahield dan overdag.Tot slot enkele minor points . Voor het publiek dat Warren en Molegraaf op het ooghebben is enige toelichting in de vorm van verklarende noten en een voor- of nawoordzeker gewenst, maar de informatie moet wel relevant en betrouwbaar zijn. Denawoorden zijn nogal summier; waarom niet even uitgelegd wat Socratische ironie,Socratische inductie, een aporie  of de maieutische methode is?Verder is geen enkele van de korte inhoudsbeschrijvingen van de vertaalde dialogen inde roos. Het meest frappant is wat Warren en Molegraaf over de  Euthyphro  beweren:“Aan de lezer wordt de conclusie overgelaten dat het onmogelijk is in morele kwestiesrechtlijnig te zijn” (deel III p. 88). Dit is een modern, genuanceerd en beschaafdstandpunt, dat de auteurs siert. Helaas is het onplatonisch en staat het haaks op waar de  Euthyphro  naar toe wil. Socrates bepleit juist uiterste consequentie in ethischeaangelegenheden. Daarom neemt hij de moeite om te laten zien dat men zich niet moet blindstaren op het soort ethische regels dat Euthyphro hanteert, zoals dat het goede erinzou bestaan te doen wat de goden willen. Op wat de goden willen is namelijk geen staatte maken; de ene god wil dit en de andere dat.Ook de volgorde waarin de dialogen verschijnen is niet erg gelukkig. Weliswaar kanmen de dialogen, zoals Warren en Molegraaf aangeven, ook los van elkaar lezen, maar de gekozen volgorde zet de lezer met hulp van de vertalers toch weer op het verkeerde been: zo beweren ze dat de  Euthyphro, Apologie, Crito  en  Phaedo  samen een tetralogievormen “over wat Connie Palmen noemde ‘het weerzinwekkende lot van de oudefilosoof Sokrates’” (deel III p. 87; IV p. 93). Deze dialogen hebben echter alleen van de buitenkant beschouwd hetzelfde onderwerp, en met het lot van Socrates hoeven wevanuit Platonisch oogpunt geen medelijden te hebben: de ware filosoof is blij als zijn Sokrates’ verdediging, Kriton, Faidon , vertaling door Gerard Koolschijn, Amsterdam: Athenaeum, 1995, pp. 144-5.5 Marie-Louise von Franz, ‘Der Traum des Sokrates’, in: M.-L. von Franz Träume , Zürich: Daimon Verlag, 1985, pp. 51-86.
Search
Similar documents
View more...
Tags
Related Search
We Need Your Support
Thank you for visiting our website and your interest in our free products and services. We are nonprofit website to share and download documents. To the running of this website, we need your help to support us.

Thanks to everyone for your continued support.

No, Thanks
SAVE OUR EARTH

We need your sign to support Project to invent "SMART AND CONTROLLABLE REFLECTIVE BALLOONS" to cover the Sun and Save Our Earth.

More details...

Sign Now!

We are very appreciated for your Prompt Action!

x